Kersenoverpeinzingen

Kersenoverpeinzing heeft als column in de Goudse Courant gestaan, geschreven door Fred van Wijnen(journalist, schrijver)

Zoele zomerweelde

Kersen eten in de pruimentijd

Kersen overpeinzingen

Kolder in de kersenpit

Zoele zomerweelde

Ze waren twaalf in getal, die sikkelvormige gierzwaluwen met hun kort gevorkte staartstukken. Als een team duivelse formatievliegers scheerden ze kriskas over en onder elkaar door, in een choreografie zonder grenzen. Een luchtballet van ontketende acrobaten boven het stille, stovende, weiland. Wie het grillige lijnenspel van deze wentelwiekende flierefluiters volgde, werd ter plekke aangestoken door deze dartele vliegkunst aan het zwoele zwerk. Het bracht ook mij in hoger sferen.

Plotseling hield het zwierige formatievliegen op en stoven de stunters uiteen nadat een torenvalk hun luchtruim indook. De kleine valk joeg een reusachtige zilverreiger voor zich uit als een jagende Spitfire op een logge Boeing 747. Hulpeloos en een beetje aandoenlijk liet de reiger zich ringeloren door die tomeloze agressie. Daar was de weinig wendbare reuzenvogel duidelijk niet tegen opgewassen. De statige steltloopster, die doorgaans het rijk alleen heeft in veld en beemd, moest bakzeil halen en opkrassen.

Na dit enigszins verrassende tafereel wendde ik me naar de oostkant en hoorde houtduiven koeren in de perelaar, een merel schalmeien in het struweel, vinken tuten in de zilverberk, eksters kekkeren in de notenboom en kraaien krassen in mijn kersenboom. Niet in mijn kersenboom natuurlijk, maar in de buurt ervan, want de vervaarlijke vogelverschrikker blijkt te imponeren. Aangevuld met rood-witte slierten aan de takken blijk ik de vuige kraai in het hart te hebben geraakt: zijn schuwheid. Kraaien zijn schuwer dan alle andere, vergelijkbare, soortgenoten. De kleinste verandering die ze waarnemen is genoeg om in de hoogste stand van waakzaamheid en vluchtgedrag te komen. De vogelverschrikker was een vreemd object en betekende ‘onraad’. Weg waren ze ineens uit de boogerd en beloerden ze de vogelverschrikker vanaf een hek in het weiland op grote afstand.

Ik lachte in mijn vuistje en pluk daardoor nu elke avond steeds dieperrood wordende kersen alsof ik goud uit een rots geslagen heb.

Wat een onbetaalbare zomerweelde wordt mij op deze, zoele, zomerse dag in juni in de schoot geworpen. Het hemelse gerecht verhoede dat de komende herinrichting mij dit zinderende avondland ontneemt door ondoordachte landschapsingrepen.



Kersen eten in de pruimentijd

,,Mannegie, jij sel hier noit karse vrête, of ut mos in de preumetijd weze’’, grijnsde Jogie, toen hij mij thuis zag komen met een bos kersenstekken onder de arm. Ik was ze speciaal gaan halen in het Naaldwijk waar nog een kweker van hoogstambomen zat. Jogie, die eigenlijk Jo heette, maar door zijn bescheiden formaat, naar goed Bergambachts gebruik, een kopje kleiner gemaakt was, hield ervan om, als fruitkweker, ex-stedelingen de les te lezen. Als boekenwurm kende ik uiteraard ook mijn boom-klassieken en gaf daar maar al te graag blijk van. Wat te denken van Schneiders Späte Knorpelkirsche, Varikse Zwarte, Putherse Dikke, Meikers, Wijnkers en Bigarreau Napoléon. Jogie lachte zich dan altijd een kriek, zoals de naam luidt van de onderstam van de meeste hoogstambomen.

Ik watertandde bijvoorbaat alleen al van de gedachte aan de oogst van al dat koninklijke zachtfruit in de bogerd van mijn heerlijkheid aan de Lek. Ik moest echter jaren wachten voordat de eerste oogst zou afkomen. Steeds wanneer ik de eerste, nog groene, kersen ontwaarde en droomde van overvolle manden zoete, gitzwarte, kersen, hield ik meestal toch alleen steeltjes met kale pitten over. Het zwarte gevederte was me dan toch weer te slim af geweest. Normaal geniet ik van hun slimheid maar in de kersentijd kan ik ze wel schieten. Even ben ik dan veranderd in een platvloerse territoriumverdediger die voor zijn kersen vecht. Mijn krijgslust wordt daarbij gestimuleerd door de provocerende manier waarmee het kraaientuig mij uitprobeert. Kom ik mijn boogerd in, dan peren die provo’s ‘m krassend en kraaiend naar een belendend weiland, wachtend tot je weer op huis aangaat. Uit hun gemene kraaloogjes spreekt slechts spotternij met die lompe zot op de grond. Tot voor kort was ik geen partij voor deze glimmende gauwdieven die, tegen de oogsttijd, om de haverklap mijn kersen kwamen keuren. Heimelijk murmelde ik dat ze nu eventjes allemaal de kraaienmars mochten blazen, hoezeer ik de natuur doorgaans ook respecteer.

De spotternij en het getreiter dreven mij, als trotse hobby-boer, tot de tegenaanval. De vraag was alleen met welke middelen.

Koos ik de ‘high tech’-kant dan zou het een radiografisch bestuurd modelvliegtuigje kunnen worden dat als een jagende sperwer duikvluchten op de kraaien maakte. Ging ik voor een ‘duurzame’ oplossing, dan werd het een vibrerende, papieren, vlieger met adelaarsopdruk. Gaf ik echter toch weer de voorkeur aan de klassieke techniek, dan moest ik elke avond, beierend met twee melkbusdeksels, de boogerd ingaan. De buurt zou me waarschijnlijk voor gek verklaren, hoewel ik me herinner dat buurman Arie dat vijfentwintig jaar geleden nog de gewoonste zaak van de wereld vond.

Mijn voorganger had nog een andere, probatere, methode achter de hand die me erg aanspreekt. In huis stond een schommelstoel waaraan een touw bevestigd was dat via het raam naar de kersenbomen leidde en waaraan veel lege conservenblikken klokten en klepelden wanneer er binnen in de stoel geschommeld werd. Ik heb op zolder nog zo’n stoel gevonden en zal deze, tijdelijk, voor mijn bureau plaatsen want eens zal ik toch mijn eigen kersen eten. Al was het maar in de preumetijd.

 

Kersen over peinzing

Vroeger wemelde het hier,op de kleiachtige komgronden langs de rivier, van de fruitgaarden. Fruitgaarden vol hoogstambomen waaronder koeien en schapen graasden. Fruit was uitsluitend een Nederlandse zaak.Koopt Nederlandse waar, dan helpen wij elkaar stond overal te lezen. Van fruit uit landen als Chili, Argentinië en Griekenland had toen nog nooit iemand gehoord. Maar met het goedkoper worden van het internationale vrachtvervoer en het duurder worden van onze eigen arbeidskosten en pluklonen, kreeg dat exotische fruit hier steeds meer voet aan de grond. Wat in eeuwen niet mogelijk was geweest, voltrok zich nu in het bestek van een paar jaar: aardbeien, appels, kersen, sinaasappels, mandarijnen, maar ook komkommers, paprika’s en vleestomaten uit heel de wereld, lagen nu bijna het hele jaar in de winkel te koop. Dat het buitenlandse fruit meestal veel te vroeg geplukt werd om lekker te zijn, werd door de consument kennelijk voor lief genomen.

De invasie van dat smakeloze, buitenlandse fruit betekende de nekslag voor menig Nederlandse fruitteler. Het handjevol telers dat zich nog staande trachtte te houden, zag zich toen echter genoodzaakt de bijl aan de wortel van de hoogstamboomgaard te leggen. Het rivierenlandschap werd daardoor in korte tijd ontdaan van zijn pastorale hoogstamcultuur en opgescheept met een afschuwelijk ogende laagstamcultuur.

De nieuwe boomgaarden bestonden uit treurige velden vol fruitstamsprieten waaraan het fruit al even treurig maar overvloedig bungelde. Rendement was duidelijk het enige richtsnoer dat voor de Hollandse teler nog telde en neem het hem maar eens kwalijk als overleving in het geding is.

Maar ook met die ontsierende laagstamcultuur lijkt de kans klein dat de Hollandse fruitteler het op den duur gaat redden. In het nieuwe Europa staan nu immers de voormalige oostbloklanden hevig te trappelen om met hun ongecertificeerde fruit de Nederlandse markt te bestormen. Dit vooral tot vreugde van de supermarkten waar goede smaak allang niet meer telt en slechts de mammon regeert.

Smaak is iets voor fijnproevers waarvan de meeste, moderne consumenten geen kaas gegeten hebben. Smaak is in deze gauw-en-vlug-klaar-maatschappij steeds meer tot bijzaak verworden. Het schijnt tegenwoordig alleen nog maar om makkelijk en vlug klaar voedsel te draaien. Wanneer je de t.v.-reclame geloven moet, is het daarom ook veel verstandiger fruit niet meer uit de hand te eten maar het, in vloeibare vorm, uit een of ander hip flesje te slurpen.

Wie had dertig jaar geleden kunnen bevroeden dat de hedendaagse consument zich voor zijn dagelijkse portie nog eens zou gaan ontpoppen als een Olvarit-etende baby.

Deze schampere gedachten overvielen mij dezer dagen na mijn ontmoeting met een Hollandse kersenteler die, dwars al deze moderne ontwikkelingen in, gewoon op ouderwetse wijze eersteklas-kersen kweekte. Kersen die mij qua geur deden denken aan vroeger, toen smaak nog wel in tel was. We spraken over vroege en late soorten, over bestuiving met bijen en vruchtbare onderstammen, over vorst, regen en vogelvraat. Ineens realiseerde ik me dat ik sprak met een oermens die dag in, dag uit, was overgeleverd aan de grillen van de natuur. E én regen- of hagelbui, één flinke nachtvorst of flinke hittegolf was genoeg om zijn hele oogst en daarmee zijn bestaan te vernietigen. Desondanks ging hij die dagelijkse strijd met de, soms wrede, natuur aan. Toen realiseerde ik me pas weer dat de echte ondernemers niet in bankgebouwen met airconditioning leven, maar in de ruwe buitenlucht van het platteland.



Kolder in de kersenpit

Dat kersen het hart van de landman gestolen hadden was in de buurt inmiddels wel doorgedrongen maar niet dat die ook steeds obsessievere vormen begon aan te nemen. Naarmate de zon de kersen dieproder kleurde en daarmee de begeerte aanwakkerde, sloeg zijn waakzaamheid om in paranoia. Boven elke boom en op iedere tak zag hij ze op den duur vliegen. Merels, mussen en mezen, zelfs zijn eigen kippen, werden voor kersendieven aangezien. De gedachte het ten leste toch nog af te zullen leggen tegen die pestvogels, overheerste zijn dagelijkse doen en laten geheel. Om het kwartier de boogerd inlopen, kwam hem niet eens meer als abnormaal voor. Hij, die nooit een vlieg kwaad zou doen, ging nu, gespannen als een veer, elke ochtend vroeg met een getrokken windbuks zijn gevederde vrienden te lijf. ,,Laat je maar zien, ik hoor je toch, lafaards’’ waren voor deze natuurliefhebber eigenlijk genante teksten. De vogelbeschermer was tot vogelbelager geworden. Zijn diepe nachtrust sloeg al snel om in sluimeren dat bij de minste of geringste kraaiengekras leidde tot een resolute veersprong uit de echtelijke sponde. Het krieken van de dag kon nauwelijks meer worden afgewacht, zelfs niet na een zware tafelgang op het grote afscheidsfeest van Jos in Gouda. Voor dag en dauw speerde hij de boogerd in, nadat de spreeuwen besloten hadden de talmende en dralende kraaien af te troeven. Als een bataljon Batmans wiegden ze op de stroomdraden boven de boom, wachtend op een aanvalsteken. Toen was er voor de landman geen weg meer terug en ging hij als levende vogelverschrikker zelf de ladder op, de kersenbomen in. Het was definitief oorlog en plukken en nog eens plukken de enige oplossing. Terwijl het water hem daarbij in de mond vloeide, wrong de landman zich in veelal onmogelijke lichaamsbochten om de zwartrode kroonjuwelen voor vervreemding te behoeden. Emmers, overvloedig vol, werden daardoor zijn deel. Het telkenmale, met zachte handen, aanvatten van de donkere Varikse Zwarten en de glanzende, frisrode dikbilkersen, maakten bij de landman zelfs erotische sensaties los als bij het vinden van truffels, het rapen van kievitseieren en het inglijden van nieuwe haring. Sonnetten en kwatrijnen borrelden hem door het lichtgeworden hoofd en leidden tot jubel en schalmei over de ochtendvelden:

oh, bloeddoorlopen kersenvocht,

sapspuitend in mijne mondebocht,

die sal straks mijn papillen verrukken

al weldra na het plukken

begerig aanschouw ik Uw tere huid,

Uw felglanzende bollingen,

k’voel nu al ‘twatertanden voor de buit

alsmede wellustige rollingen

De landman was nu los van elke aardse binding en declameerde er, vrij naar Joost van den Vondel, steeds lustiger op los: “Oh, kersennacht, schoner dan de dagen, hoe kan Herodes de dieprode vruchten verdragen, die in dit groene loverke blincken”.

De landman leek één geworden met de bomen die hem hallucinaties van kersenvreugde bezorgden. Toen hij, later, weer met beide benen op de grond stond, ging het gerucht van jaarlijks terugkerende kolder in zijn kersenpit. Volgens de dokter een aandoening die menig fruitgaarder jaarlijks bezoekt. Voor zover er sprake was van gestoord gedrag, werd dat medisch geduid als ‘prettig van aard en goed voor de omgeving te verdragen’.